Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


7 Milieuwetgeving

7.1 Inleiding

Milieucompartiment
Het milieu (Engels: environment) is een veelomvattend begrip. Het is de omgeving waarin we leven, onze leefwereld, waarbij we afhankelijk zijn van de kwaliteit van wat ons in leven houdt: schoon water (drinken), vruchtbare niet-vervuilde bodem (voedsel) en schone lucht (ademhaling). Om het milieu beter te kunnen beschermen heeft de overheid het milieu qua regelgeving onderverdeeld in deze drie te beheersen compartimenten: water, bodem en lucht. Daarnaast wordt ook geluid (lawaai) als een bedreiging van het milieu opgevat.

Interne milieuzorg
Waterbouwers hebben bij de bagger- kust- en oeverwerken, met alle milieucompartimenten te maken. Bedrijven hebben daarbij zowel intern (Bedrijfsinterne Milieuzorg, BIM) als extern (projecten) met milieuregels te maken. De interne milieuzorg wordt geregeld in de Milieuvergunning op grond van de Wet Milieubeheer. De interne milieuzorg voor binnenschepen en zeeschepen wordt in aparte wetgeving geregeld. Bij de uitvoering van projecten heeft men eveneens met milieuregels te maken, die in de projectvergunning zijn opgenomen. Als een project een saneringsproject is, heeft de opdrachtgever tot doel een milieuverbetering op een locatie te bewerkstelligen en zal het uitvoerende bedrijf zowel op milieuregels als arboregels moeten letten. De opdrachtgever stelt daarbij strenge eisen voor de saneringswerkzaamheden (Afgraven, zuiveren, storten).


Foto 2 oeverwerk, ook met mileu-eisen

Externe milieuzorg
Kust- en oeverwerken worden per definitie uitgevoerd op de grens van de compartimenten bodem, water en lucht. Deze mogen niet worden vervuild en de eventuele vervuiling mag niet worden verplaatst. Vaak moet er eerst nog worden gesloopt en sloopafval worden afgevoerd.
Dit sloopafval kan ook nog eens gevaarlijk afval, en zelfs kankerverwekkend afval, zoals asbest bevatten. Het verwijderen van dit afval moet dan onder stringente voorwaarden geschieden.
Baggeren is het verwijderen van waterbodems, die vrijwel altijd zijn vervuild. Daarop is niet alleen Arbowetgeving van toepassing, maar juist ook wettelijke regelingen omtrent verontreiniging oppervlaktewateren, bodembescherming luchtverontreiniging. Voorts zal men vrijwel altijd bedacht moeten zijn op geluidshinder.
Het lastige van milieuwetgeving is, dat het uitvoeren van een bedrijfsmatige activiteit onmiddellijk tot nieuwe verplichtingen leidt. Eenmaal afgegraven grond mag later niet zomaar op dezelfde plek worden teruggestort. Eerst moet de vervuilingsgraad zijn vastgesteld en uitsluitend met een schoonverklaring worden teruggebracht. Anders moet het als vervuilende grond worden afgevoerd en verwerkt.
Een ander voorbeeld betreft het baggeren. Als een rivier plaatselijk op diepte wordt gebracht, mag deze bagger niet zonder meer 100 meter verder in dezelfde rivier, ook al is er plaats voor, worden teruggestort. Daar is vergunning voor nodig, waarbij de mate van vervuiling weer bepalend is of de bagger al dan niet definitief moet worden afgevoerd. Zelfs vervuild hemelwater moet apart worden opgevangen en mag niet direct op het riool of het oppervlaktewater worden geloosd.


7.2 Wettelijk kader


Op milieugebied zijn meerdere milieuwetten, gericht op lucht, water, bodem en ook geluid, van kracht. Daaraan heeft de wetgever een woud van uitvoeringsbesluiten gekoppeld, zodat men vaak nog nauwelijks door de bomen het bos kan zien. Dit wordt mede veroorzaakt door het karakter van de milieuwetgeving, die tot het type verbodswetgeving behoort. Voor elk onderwerp wordt er weer een apart besluitje uitgevaardigd.
Bij de andere wetgeving, zoals de Arbowetgeving heeft inmiddels een sterke vereenvoudiging plaatsgevonden. Dit is het zogenaamde dereguleringsproces. Op milieugebied laat een dergelijke vereenvoudiging nog op zich wachten, hetgeen de huidige regelgeving zeer ingewikkeld maakt.

Internationale afspraken
De milieuwetgeving is doorgaans ook gebaseerd op internationale afspraken. Zo worden overeenkomsten ten aanzien van het marine milieu via de IMO in een verdrag vastgelegd en vervolgens in de Schepenwet en Milieuwetten opgenomen. Binnen de Europese Unie worden eveneens bindende afspraken voor arbo en milieu gemaakt. Een voorbeeld is de ‘Richtlijn Asbest’ die zowel in de Arbowet als de Wet Milieubeheer is verwerkt.
In bepaalde gevallen zijn er op mondiaal niveau milieu-afspraken gemaakt, zoals over de bescherming van de ozonlaag. Hierop is het Nederlandse CFK-besluit gebaseerd.

Milieuwetten
Voor het milieu is de Wet Milieubeheer (Wmb) de basiswet, die over alle compartimenten heen, een aantal zaken regelt. Daarnaast zijn aparte wetgevingen in het leven roepen:

  • Wet inzake Luchtverontreiniging (Wluvo).
  • Wet Verontreiniging oppervlakte wateren (Wvo).
  • Wet Bodembescherming (Wbb).
  • Wet Geluidhinder (Wgh).

De Wet Milieubeheer (Wmb) regelt de algemene bedreiging van mens en milieu door bedrijvigheid en afvalstromen, inclusief de geluidhinder.

Toegestane belasting van het milieu
Het belasten van het milieu is op zich niet verboden. Het is in beperkte mate toegestaan, gebaseerd op het zelfreinigend vermogen van het milieu. Het vervuilen van het milieu, in de vorm van overbelasting, is echter verboden. In een groot aantal uitvoeringsbesluiten zijn normen opgesteld, welke niet overschreden mogen worden. Daarnaast zijn er normen voor wat als ‘schoon’ of ‘veilig’ wordt aangemerkt.
Het produceren van geluid, dat we bij overbelasting lawaai noemen, wordt ook als een vorm van vervuiling gezien. Het aantal te produceren decibellen wordt aan banden gelegd. Het tijdstip van dag of nacht, het gebied zoals woon-, werk- of recreatiegebied, is daarbij sterk bepalend voor de normstelling.

Milieuvergunningen
Een bedrijf of inrichting mag niet opereren zonder een daartoe strekkende milieuvergunning (vroeger de Hinderwetvergunning). Dat betekent dat ook bepaalde activiteiten van een bedrijf zijn verboden als ze niet in de milieuvergunning zijn opgenomen. Eenzelfde natuurlijk persoon, zoals de directeur van het bedrijf, is in de Arbowet de ‘werkgever’ en in de Wet Milieubeheer, c.q. de Milieuvergunning, de ‘drijver van een inrichting’. Het voordeel van het systeem van milieuvergunningen is, dat men niet gauw in onwetendheid de wet zal overtreden. Immers de activiteiten worden wel of niet in de vergunning benoemd en zijn daarmee wel of niet toegestaan.
In een milieuvergunning zijn zoveel mogelijk de eisen van alle milieucompartimenten opgenomen (lucht, water, bodem, geluid). In bepaalde gevallen kunnen aparte vergunningen, zoals een lozingsvergunning zijn afgegeven. Voor tijdelijke activiteiten, zoals projecten, zijn eveneens aparte vergunningen vereist. De regels zijn strikt en laten afwijkingen zonder wijzigingsvergunning niet toe.
Als men bijvoorbeeld meer of andere gevaarlijke stoffen wil gaan gebruiken heeft men daar een nieuwe vergunning voor nodig.

Milieu logboek
Het verzamelen en verwijderen van afvalstoffen moet in een milieulogboek worden bijgehouden. Dat geldt voor alle vormen van afval: bedrijfsafval, gevaarlijk afval, lozingen in het riool of de oppervlaktewateren, uitstoten in de lucht. Het aantoonbaar beheersen van de afvalstromen is een belangrijk onderdeel van de Bedrijfsinterne milieuzorg (BIM). Dit geldt ook voor de afvalstoffen aan boord van binnenschepen en zeeschepen (garbage disposal). Dit wordt via de Binnenschepenwet en de Schepenwet geregeld.

7.2.1 Wet milieubeheer (Wmb) 1979

Reikwijdte

De Wet milieubeheer (Wmb), laatst gewijzigd per 9 november 2001, is eveneens een raam- of kaderwet. Hierop zijn een groot aantal uitvoeringsbesluiten en regelingen gebaseerd. De wet regelt de wijze van verlening, weigering, wijziging, intrekking van een milieuvergunning.
De normadressanten, dwz degenen op wie de verplichtingen rusten, zijn van een andere orde dan bij de Arbowet.
De milieuverplichtingen betreffen in de eerste plaats vrijwel alle Nederlanders (burgers) en alle bedrijven.
Een ieder is verplicht al datgene te doen wat in zijn/haar vermogen ligt het milieu te beschermen of een aantasting te helpen voorkomen of verminderen. (Wmb art 1.1a). Bijvoorbeeld door op te treden bij een ongewenste gebeurtenis zoals het ongewild vrijkomen van een milieugevaarlijke (vloei)stof. Het minste wat een getuige moet doen is de bevoegde autoriteiten waarschuwen. Maar voorts moet ook alles wat nog meer in iemands vermogen ligt, worden gedaan.
De overheid legt ook zichzelf verplichtingen op. In de wet staat bijvoorbeeld dat zij internationale afspraken moet maken, milieukwaliteitseisen moet vaststellen, milieuzoneringen moet aangeven en milieu effect rapportages (MER) moet opstellen. Een MER is verplicht voor grote infrastructurele projecten, zoals de aanleg van een vijfde Schipholbaan, de aanleg van de Hoge snelheidslijn HSL of de Betuwelijn.
De wet regelt voorts financiële zaken, zoals de heffingen op de mate waarin bedrijven het milieu belasten. Het basisprincipe is: “de vervuiler betaalt”. Een bekende maatstaf is de inwonerequivalent, dat is de hoeveelheid milieuvervuiling die 1 inwoner gemiddeld geacht wordt te maken. De vervuiler, zowel burger als bedrijf, wordt op voorhand aangeslagen op een aantal vervuilingseenheden. Slechts in een beperkt aantal gevallen mag men aantonen dat de werkelijke belasting (beduidend) minder is en behoeft men dan ook minder te betalen.

Toepasselijkheid
Voor het bedrijfsleven, maar ook deels voor particulieren, zijn de hoofdstukken 5 [art 5.1 t/m 5.23] (Milieukwaliteitseisen), 8 [art 8.1 t/m 8.51] (Inrichtingen), 9 [art 9.2.1.1 t/m 9.4.8] (Stoffen en Producten) en 10 [art 10.1 t/m 10.64] (Afvalstoffen) van de Wmb van belang). Ze vormen tevens de kapstok voor een groot aantal milieuregelingen, zoals die voor groot gevaarlijk afval, klein gevaarlijk afval (abusievelijk nog steeds bekend als klein chemisch afval), asbestverwijdering, inperking en uitbanning van ozonlaag aantastende stoffen, de CFK’s.

7.2.2 Wet geluidhinder (Wgh) 1979

Geluidzones
De Wet Geluidhinder (Wgh), laatst gewijzigd per 26 januari 2001, is eveneens een raam- of kaderwet. De belangrijkste normadressant is de overheid zelf, inclusief de lagere overheden. Deze stelt geluidzones vast, met specifieke geluidsnormen in die zones. De vergunningverlening van projecten moet daarbij aansluiten. Met name dient de overheid de totale geluidsbelasting van bedrijven of inrichtingen in een gebied te bewaken. Deze bedrijven vinden de maximale geluidsniveaus terug in hun eigen milieuvergunning. Dat verklaart waarom soms toegestane maxima lager zijn dan op grond van de algemene geluidsnormen is vastgesteld. Eenzelfde beleid is ook van toepassing op projectvergunningen.

7.2.3 Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) 1969

Verbod lozen op binnenwater
De Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), laatst gewijzigd per 1 januari 2001, is een typisch voorbeeld van verbodswetgeving. Het is verboden stoffen in het oppervlaktewater te lozen, tenzij met vergunning (Wvo art 1 ). Een bedrijf dient over een aparte lozingsvergunning te beschikken, behalve als lozingen reeds onderdeel zijn van de milieuvergunning.

Verbod lozen op zee
Er is in Nederland een verbod voor het brengen van afvalstoffen naar open zee, tenzij men daartoe een vergunning heeft.
Bij AMvB worden voortdurend grenswaarden (Wvo art 1a ) van de toegestane lozingen vastgesteld en bijgesteld.
Vergunningen worden verleend (Wvo art 1) als men aan alle voorwaarden voldoet.
Afhankelijk van het lozingsgebied wordt de vergunning verleend door Rijk, Provincie of Waterschap (openbaar lichaam).
Eens per maximaal drie jaar moet de overheid (rijk, provincie of waterschap) inzicht geven in de omvang van de lozingen door een inventarisatie te maken van alle lozingen en controlemetingen uit te voeren. (Wvo art 14 t/m 15 ). Dit overzicht is openbaar.
Indien men het met een vergunning of beschikking niet eens is, kan men een beroep doen op de administratieve rechter (Wvo art 16 ). De procedure van beroep is opgenomen in de Wet Milieubeheer (Wmb hst 20 art 20.1 t/m 20.21 ).
Heffing van de overheid op lozingen geschiedt op basis van de vervuilingswaarde, uitgedrukt in vervuilingseenheden per jaar
(Wvo art 19). De vervuilingseenheid bestaat uit: zuurstofverbruik (49,6 kg) en gewichthoeveelheden van met name genoemde vervuilende stoffen. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld op jaarbasis, maar tevens zijn daar toegestane piekwaardes aan verbonden.
De vergunningverlener doet bestuursrechtelijke handhaving, verzamelt gegevens en behandelt klachten (Wvo art 29 ).
Het stellen van geboden is niet voldoende voor het strafbaar stellen van overtredingen. Een apart artikel stelt expliciet een verbod om in strijd met vergunning zich te gedragen (Wvo art 30a ).

7.2.4 Wet bodembescherming (Wbb) 1986

De Wet bodembescherming (Wbb), laatst gewijzigd per 9 november 2001, begint met enkele definities en doelstellingen.

Doelstelling
Het doel van de wet is kortweg: de bescherming van de bodem.

Begrippen
Het begrip ‘bodem’ is gedefinieerd als: het vaste deel van de aarde met zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.

Waar in de wet van ‘belang’ wordt gesproken wordt daarmee bedoeld: het belang van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van veranderingen, hoedanigheden van de bodem, die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft.
De Wet bevat nadere regels voor het op of in de bodem brengen van stoffen, het uitvoeren van werkzaamheden op of in de bodem, het verrichten van transporthandelingen die bodem kunnen aantasten of neveneffecten veroorzaken).
De Wet stelt een verbod om werkzaamheden uit te voeren, tenzij men heeft voldaan aan gestelde eisen of heeft aangetoond dat geen verontreiniging / aantasting zal optreden. Bij dit laatste geldt overigens wel een meldingsplicht vooraf.
De wet heeft een aantal handelingen benoemd die de bodem kunnen bedreigen.

Aan/inbrengen bodem
Onder het brengen van stoffen aan en/of in de bodem moet worden verstaan (Wbb art 6 ):

  • Ter bewaring opslaan van stoffen.
  • Op of inbrengen van afvalstoffen.
  • Aanbrengen van verontreinigd water of slib.
  • Begraven van stoffelijke resten.
  • Verspreiding van crematie-asresten.

Toevoegen bodem
Onder het toevoegen van stoffen aan en/of in de bodem moet worden verstaan (Wbb art 7 ): Handelingen, die: De draagkracht van bodem mogelijk te boven gaan. Meststoffen toevoegen.

Ingrepen bodem
Onder het verrichten van ingrepen aan en/of in de bodem moet verstaan worden (Wbb art 8 ):

  • Grond- funderingswerk.
  • Bodemonderzoek.
  • Pijpleidingen en overige leidingen.
  • Opslagtanks en reservoirs.
  • Ontginningen, ontgrondingen, opgravingen.
  • Diepe grondbewerking.
  • Ontwatering, bronnering en grondwaterwinning.

Transport effecten bodem
Onder het transport van stoffen met een effect op de bodem moet worden verstaan (Wbb art 9 ):

  • Transport via leidingen.
  • Overslaghandelingen van voertuigen.

Nevengevolgen bodem
Onder ongewenste neveneffecten van handelingen aan en/of in de bodem moet worden verstaan (Wbb art 10 ):

  • Het strooien of uitrijden van stoffen voor gladheidsbestrijding.

7.2.5 Wbb hst IV Verontreinigde bodem

Dit artikel is positief getoetst door de Inspectie SZW als onderdeel van de Arbocatalogus Waterbouw.

Zowel voor rijkswateren en regionale wateren zijn specifieke regels opgesteld met betrekking tot de sanering van waterbodems
(Wbb hst IV par 5 art 63a t/m 63l ). Er bestaan tevens bijzondere bepalingen m.b.t. onderhoudsbaggerwerk (Wbb art 63i ). Voor het uitvoeren van baggerwerkzaamheden mag men volstaan met een verkorte melding en verkrijgt men ontheffing van art Wbb art 39.
In bijzondere gevallen mag men het doorlopen van een vergunningprocedure en de daarbij behorende termijnen omzeilen (Wbb art 63j ). Met name is dit het geval als een op diepte brenging van een waterweg onverwijld noodzakelijk is. Daarbij verkrijgt men tevens ontheffing van de meldingsplicht (Wbb art 28 ).

Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water
De wetgeving m.b.t. het “werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water” is vertaald en in concrete gedragsregels en normen en vastgelegd in de richtlijn van de C.R.O.W. publicatie 132. Omdat bovengenoemde richtlijn als “standaard werk” gebruikt wordt in onze branche hierbij wat nadere informatie over de CROW.

CROW
CROW is het nationale kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur. In deze non-profit organisatie werken RIJK, provincies, gemeenten, waterschappen, aannemersorganisaties, producenten, adviesbureaus, openbaarvervoerorganisaties en onderwijsinstellingen samen vanuit hun gemeenschappelijke belangen bij ontwerp, aanleg en beheer van wegen en verkeers- en vervoersvoorzieningen. Verder is de CROW actief in onderzoek op het gebied van grond- en wegenbouw, verkeer en vervoer, en in regelgeving in de grond-, water- en wegenbouw en ontwikkelt breed gedragen kennisproducten.

CROW P132 versus wetgeving
In de eerste versie (1ste druk) en daarop volgende drukken (t/m 3de druk, 2002), was deze publicatie nog bedoeld als toetsingsinstrument voor de Arbeidsinspectie. Inmiddels hebben de opstellers met de uitgave van december 2008, omwille van de invulling van de huidige wet- en regelgeving, deze publicatie zo opgesteld dat deze kan dienen als onderdeel van een arbocatalogus.
Deze publicatie heeft via de werkgroep “Platform publicatie 132” van CROW de instemming van zowel opdrachtgevers als de in het platform vertegenwoordigde werknemers- en werkgeverspartijen. De partijen die zitting hebben in “Platform publicatie 132” zijn van mening dat de huidige wet- en regelgeving, kennis en ervaring vanuit de markt in deze publicatie voldoende zijn geïmplementeerd.


Gebruik van de CROW P132 in de prakijk
Voor het gebruik van de CROW P132 in de praktijk zie de volgende paragrafen in de Arbocatalogus:


Verwijzingen algemeen
CROW-producten

Einde van tekstdeel dat positief getoetst is door inspectie van SZW.

7.2.6 Wet luchtverontreiniging (Wluvo) 1970

De Wet Luchtverontreiniging verbiedt handelingen die de kwaliteit van onze atmosfeer verslechteren.

Begripsbepaling
Onder luchtverontreiniging wordt volgens de wet verstaan: De aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen.
Deze stoffen zijn volgens de definitie vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, die in de lucht op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen, hetzij nadeel voor de gezondheid van mens of hinder voor de mens kunnen opleveren, hetzij schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen.
Bij vaste stoffen moet men denken aan stuivende stoffen, zoals zand, droge aarde, andere korrelige of vezelige stoffen die door de wind kunnen worden verspreid. Vloeibare stoffen kunnen al dan niet snel verdampen en op die manier in de buitenlucht terecht komen. Gasvormige stoffen kunnen zonder meer op basis van hun eigenschappen als gas snel in de buitenlucht terecht komen. Niet alle stoffen zijn schadelijk voor mens, plant of dier. Milieuvreemde stoffen, d.w.z. stoffen die niet in de natuur voorkomen, zullen doorgaans wel als verontreinigend worden beschouwd.
Brandstoffen worden bij verbranding ook per definitie als verontreinigende stoffen gezien. Vervoermiddelen, vaartuigen, voertuigen of luchtvaartuigen worden als verontreinigend beschouwd als de brandstof verontreinigend is.
De wet spreekt alleen over “toestellen”, maar hieronder moeten alle apparaten, machines en materieel worden verstaan die luchtverontreiniging kunnen veroorzaken. Bij maatregel van bestuur kunnen maatregelen worden getroffen, zoals verboden, die betrekking hebben op toestellen, brandstoffen en verontreinigende handelingen.
In de milieuvergunning van een bedrijf kunnen ook bepalingen met betrekking tot luchtverontreiniging worden opgenomen. Afhankelijk van de soort verontreiniging en het verspreidingsgebied wordt een vergunning afgegeven door de gemeente of de provincie.
De overheid heeft zelf de plicht om regelmatig luchtmetingen uit te voeren en de luchtkwaliteit vast te stellen. Dit moet jaarlijks worden gerapporteerd en openbaar gemaakt.

7.2.7 Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs)

De Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs, 1973) is op grond van internationale afspraken tot stand gekomen. De wet is naast de Schepenwet een aparte wet waarop het storten van vuil of afval door zeeschepen op zee is verboden. Het verbod is van toepassing op ‘verontreinigende stoffen'. Bepaalde soorten ‘huishoudelijk’ afval mogen dus wel in open zee worden gestort.


7.3 Diverse milieubesluiten

7.3.1 Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming

Het Bouwstoffenbesluit 1995, laatst gewijzigd per 1 november 2001, is een gezamenlijk uitvoeringsbesluit van de Wet Bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wbb art 6, 8, 15, 16, 17 en 71 en Wvo art 2a, 2b, 2c en 2d).
Het op of in bodem brengen van bouwstoffen is verboden (Bbbo 9+), tenzij bepaalde bestanddelen onder de normgrens blijven (vermeld in bijlage 2 van het besluit).
Het in oppervlaktewater brengen van bouwstoffen is verboden (Bbbo 22 t/m 27 ), tenzij bepaalde bestanddelen onder de normgrens blijven (bijlage 2). In dit besluit wordt onder oppervlaktewater ook de waterbodem gerekend.

7.3.2 Besluit Lozingsvoorschriften niet-inrichtingen milieubeheer

Het Besluit Lozingsvoorschriften niet-inrichtingen milieubeheer (BLni), laatst gewijzigd per 1 april 1996, is gebaseerd op de Wmb artikelen 10.15 lid 3 en 10.16.
Dit besluit is van toepassing op alle lozingen die niet door een inrichting worden gepleegd, bijvoorbeeld via drijvend materieel van een bouw- of saneringsproject. Het is toegestaan bedrijfsafvalwater dat vergelijkbaar is met huishoudelijk afvalwater te lozen op het riool (Blni art 2). In bepaalde gevallen gelden er toch verbodsbepalingen (Blni art 4 t/m 10).

7.3.3 Lozingenbesluit bodembescherming

Het Lozingenbesluit bodembescherming (1997), laatst gewijzigd per 15 januari 1998, is een uitwerking van de Wbb. Het handelt over het in de bodem brengen van vloeistoffen. Onder huishoudelijk afvalwater wordt verstaan afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens, huishoudelijke activiteiten en bedrijfsmatig afvalwater dat qua aard en samenstelling daarmee vergelijkbaar is.
Ook dit besluit is weer een typisch verbodsbesluit. Het besluit houdt echter rekening met de historie van activiteiten. Als een lozing al een geruim aantal jaren heeft plaatsgevonden, mag hij worden voortgezet, tenzij bepaalde hogere grenzen worden overschreden. Tevens is de beschikbaarheid van een rioleringstelsel in de nabijheid bepalend.
Als riolering niet beschikbaar is mogen lozingen in de bodem plaatsvinden. Anders moet vloeibaar afval gewoon op het riool worden geloosd (LB bb art 1 t/m 4 ). De lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem met minder dan 10 lozingseenheden is zonder vergunning toegestaan (LB bb art 5 t/m 13a ).
Indien het huishoudelijk afvalwater meer dan 10 lozingseenheden bevat gelden de volgende voorwaarden (LB bb art 14 t/m 23): Indien de lozing koelwater betreft mag dit geen toegevoegde stoffen bevatten en heeft het een vergunning nodig (LB bb art 24 t/m 26 ). Het lozen van overige stoffen is in principe verboden. Voor het overige regelt de LB bb onderwerpen als (LB bb art 27 t/m 30 ):

  • Onderzoek van de bodem (wie wat moet onderzoeken).
  • Vergunningverlening (procedures aanvraag, wijziging en intrekking).
  • Gevolgen voor andere lidstaten (grensoverschrijdende effecten)
  • Eventuele nadere eisen.

7.3.4 Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering 1997

Het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering 1997, laatst gewijzigd per 1 maart 1997, regelt het lozingenverbod bij bodemsanering en proefbronnering. In essentie: Wat men uit de grond haalt mag men niet zomaar terugstoppen.
Indien een bedrijf bij bodemsanering is betrokken heeft het te maken met nadere regels bodemsanering (Lb wvo art 5 t/m 8 ). Indien iemand proefbronnen aanboort heeft hij te maken met nadere regels proefbronnering (Lb wvo art 9 t/m 11 ). Iedereen is verplicht diverse ongewone voorvallen te melden (Lb wvo art 15 t/m 18 ).

7.3.5 Lozingenbesluit afvalstoffen in volle zee (1972)

Dit Besluit van 6 juni 1972, omvat bepalingen omtrent de afstand uit de kust waarbinnen geen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het water van de volle zee gebracht mogen worden. Dit is een gebied ter grootte van het Continentaal plat. In dit afgebakende gebied mogen geen van het land afkomstige afvalstoffen worden geloosd.


7.4 Bijzondere besluiten Wet milieubeheer

Er zijn tientallen besluiten en regelingen aan de Wmb gekoppeld. Hetzelfde geldt nog eens voor de overige milieuwetten. Twee belangrijke besluiten, een over asbest en een over Cfk’s, worden hier nader besproken.

7.4.1 Asbestbesluit milieubeheer

Asbest is een gezondheidsgevaarlijke stof, die asbestose en mesothelioom kan veroorzaken en daarmee ook een milieugevaarlijke stof. Het gebruik van asbest is in Nederland en de rest van de EG verboden. Alleen het verwijderen of saneren is onder voorwaarden nog toegestaan. Het Arbobesluit regelt op welke wijze men veilig en gezond de saneringswerkzaamheden kan uitvoeren. Het Asbestbesluit milieubeheer regelt hoe men met vergunning de verwijdering of sanering mag uitvoeren, inclusief het afvoeren van het asbestmateriaal ter hand mag nemen.
Hierbij moet men een erkend asbestverwijderingsbedrijf zijn, dat onder toezicht van een deskundig toezichthouder asbest (DTA) en met gecertificeerd personeel, Veilig werken met asbest, de werkzaamheden uitvoert.

7.4.2 Besluit stoffen die de ozonlaag aantasten (CFK-besluit)

Vanaf 1 januari 1993 is in Nederland het Besluit stoffen die de ozonlaag aantasten’ van toepassing. Deze stoffen zijn bekend onder de naam Cfk’s, afkorting van chloorfluorkoolwaterstoffen. Onder gelijktijdig intrekken van Besluit stoffen die de ozonlaag aantasten, is per 4 december 1996 een totaal nieuw besluit met dezelfde naam van kracht geworden. Dit besluit is beter bekend onder de naam CFK-besluit, maar kan onder die naam niet in de wettenbank worden gevonden.

Strekking
De ozonlaag in de stratosfeer beschermt mens en dier tegen schadelijke UV-straling van de zon. Dit geldt uiteraard zolang er sprake is direct zonlicht, niet gehinderd door bewolking. Het standpunt is dat cfk’s de ozonlaag aantasten. De strekking van het CFK-besluit is dat cfk’s om die reden uitgebannen moeten worden. Internationaal zijn er afspraken gemaakt om het gebruik en de productie van cfk’s op termijn volledig uit te bannen (Verdrag van Montreal 1992, en volgende verdragen). De EG heeft in 1994 een protocol voor de stelselmatige verwijdering van cfk’s opgesteld.

Ozonlaagbesluit
Cfk’s komen in diverse soorten voor: halonen (blusgassen) en freonen (koelgassen). Daarom is het gebruik in blussystemen en blustoestellen alsmede in koelinstallaties aan banden gelegd. Nederland volgt met het CFK-besluit de Europese verordening. Gedurende een overgangsperiode mag men cfk’s nog wel hergebruiken (lees: opvangen en opnieuw in de blus- of koelinstallaties aanbrengen). Opmerking: halonblusinstallaties zullen per 1 januari 2004 definitief vervangen moeten zijn.

Onderhoud
Technici die zich met cfk’s bezig houden (onderhoud en reparatie van installaties) moeten gecertificeerd zijn. Doel van de regelgeving is geleidelijke vermindering van de productie en de invoer. In beperkte gevallen mag men bestaande vullingen hergebruiken, mits er geen lekkage naar de atmosfeer kan plaatsvinden.

Koelinstallaties
Hieronder volgen enkele specifieke regels met betrekking tot koelinstallaties. Het gebruik van Cfk’s in nieuwe koelinstallaties is sinds 1-1-93 verboden.
In bestaande installaties geldt de verplichting: Ze mogen niet meer worden afgeblazen, het reinigen is verboden, lekkages moeten onmiddellijk worden verholpen. Een jaarlijkse controle op het functioneren en de lekdichtheid is verplicht.
Per 1-1-95, met de invoering van het nieuwe CFK-besluit, mogen werkzaamheden uitsluitend nog door CFK-gediplomeerd personeel worden uitgevoerd. Bij meer dan 3 kg inhoud CFK moeten alle onderhoudswerkzaamheden in een logboek zijn bijgehouden. De landelijke controle geschiedt door VROM. Voor de zeevaart wordt controle uitgevoerd door de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW).


Het bedrijfsleven heeft hiervoor een stichting in het leven geroepen, die een erkenningsregeling heeft opgesteld. Daarmee wordt de vakbekwaamheid van onderhoudspersoneel gegarandeerd. Deze Stichting erkenningsregeling Koeltechnisch installatiebedrijf, STEK, houdt tevens toezicht op het verantwoord uitvoeren van het CFK-besluit. Reparatie en onderhoud mag uitsluitend nog door een STEK-bedrijf worden uitgevoerd.
In de Regeling lekdichtheid koelvloeistoffen, een uitvoeringsregeling van het CFK-besluit, vindt men nadere details welke zowel van belang zijn voor de beheerder van de koelinstallatie als voor het onderhoudsbedrijf.

Verwijzing algemeen:
STEK


Verwijzingen

waterbouw/vgm_handboek_1_7.txt · Laatst gewijzigd: 2014/04/16 16:28 (Externe bewerking)